Snoepland

Zep was gaan wandelen en had helemaal niet goed opgelet waar hij precies heen ging. Opeens zag hij een berg; een grote heuvel. En weet je wat zo gek was? De berg was paars. Dat wilde Zep wel van dichtbij zien. De paarse kleur werd steeds feller. De lucht achter de berg was aan de rechterkant roze gekleurd en aan de andere kant zag hij een blauwe gloed. Door zijn nieuwsgierigheid ging Zep sneller lopen. Hij was aan de voet van de berg beland en wat denk je…

 

De berg was niet van steen, maar voelde heel zacht aan. Als een soort fluweel. Zep klom op zijn blote voeten omhoog, omdat het zo lekker zacht aanvoelde. Het rook ook nog eens lekker zoet. Zep zag alleen maar paars onder zijn voeten. De lucht achter de bergtop was nog steeds roze en blauw gekleurd. Zep was bijna op het topje van de berg. Nog een paar stappen en wat denk je wat hij toen zag…

 

Allemaal snoep. Een heel dorp, huizen straten en fabriekjes van spekkies, wine-gums  en dropjes. Het groeide daar gewoon. Puur natuur. Wat zag dat er lekker uit. Zep zou zo wel iets willen opeten, want hij had inmiddels best trek gekregen. Maar hij mocht eigenlijk niet teveel suiker eten, want dat was niet zo goed voor hem.

Toen zag Zep een mannetje rondlopen.Hij kwam naar Zep toe. Het mannetje zag er oud uit, maar hij keek heel vriendelijk. Zep vroeg hem of hij wat snoep mocht eten. “Zoveel als je wilt, maar… er zit alleen geen suiker in” zei de man. “Dat is perfect, want ik mag niet zoveel suiker”. Zep bedankte de man en begon te snoepen. Hij at een hele fabriek op. Hij voelde zich vol, maar het was heerlijk.

 

De oude man zat even verderop. Ik ging naar hem toe en vroeg waar ik wat kon drinken. Hij wees me de put met bronwater. Als ik een smaakje aan het water wilde geven kon ik er een snoepje in leggen en dan kreeg het water die smaak. “Super zeg, hier zou ik wel willen wonen.”

Op dat moment realiseerde Zep zich dat hij was verdwaald. Hij vroeg de oude man of hij wist hoe hij weer thuis kon komen.

“Je hebt wel heel ver gelopen, mijn jongen. Hier komen eigenlijk nooit mensen. Eigenlijk weet ik ook niet hoe je thuis moet komen. Maar, ik beloof je, we verzinnen er iets op. ”Zep zei:”Zeg meneer, hoe heet U eigenlijk?”

“Omdat hier nog nooit iemand is geweest heb ik ook geen naam nodig, zei de man.” “Dan noem ik U de snoepkoning. U bent toch de baas van het snoep?”zei Zep. “Hier is geen baas nodig, want zolang je niet iets heel geks doet, blijft het snoep gewoon snoep”, zei de oude man. Zep snapte deze uitspraak niet en vroeg:”wat bedoelt U daarmee? Wat kan er dan met het snoep gebeuren?”

De man vroeg Zeg om op te letten. “Waar wilde je vanavond eigenlijk  slapen? Toch zeker niet hier buiten?. Hij vroeg me een huisje van boerderij drop en een sleuteldrop te halen. De oude man zette het kleine drop huisje op een leeg geel grasveldje met groene paardebloemen. Hij keek Zep aan en gaf hem de sleuteldrop. Daarna gaf hij een knikje met zijn hoofd, van toe maar. Zep stak de sleutel uit haar de deur van het huisje. Hij dacht bij zichzelf dit kan toch nooit… en toen hoorde hij twinkeltjes en het huis werd echt. Yeuh, een wonder.Kan alles dan echt worden?

 

Laten we een vogel echt maken, een soort postduif, met een berichtje aan zijn poot met “help”erop. Zep vond het hier wel leuk, maar hij mistte toch zijn familie. Misschien wilden zij wel hier komen wonen?

Ondertussen zei de man dat niet iedereen hier zomaar kan komen wonen en zeker geen grote mensen; maar, zei hij, dat leg ik je later nog wel eens uit.

Kom, riep de man optimistisch, we gaan een vogel voor je uitzoeken. Zo gezegd, zo gedaan. Nog voordat het donker werd was de vogel aan zijn zoekvlucht begonnen.

 

De volgende morgen, terwijl de man en Zep zaten te ontbijten met spekkies en milkshakes, kwam de vogel terug. Ze opende het buisje om zijn poot en daar viel een héél klein dingetje uit. Zo klein als een punaise. Zodra het met de lucht in aanraking kwam werd het groter en groter. Het was een rond houten ding. Het werd ook dikker en er vielen gaten in. Het leek wel op een heel dik wiel. Terwijl Zep dit dacht  zaten ze allebei met open mond van verbazing te kijken. Het wás een wiel. Maar het was zó dik, dat hij zich splitste in 4 wielen. Maar het proces ging verder. Er groeiden stangen tussen en er boven kwam een soort plaat. Op de hoeken rijsden er palen uit. En als klap op de vuurpijl, rolde een lap rode stof zich uit over de palen, naar beneden. Het leek een soort huifkar… Zep schreeuwde het uit: Hoe is het mogelijk! Misschien kunnen we er een boederij-drop-paard voor zetten.

De snoepkoning zei dat ze er beter 2 paarden voor konden zetten, voor de zekerheid. Hij wist immers niet hoever hij zou moeten reizen. Op die manier heb je een soort reserve-paard bij je.

 

Zep vond het toch wel een beetje jammer om uit snoepland weg te gaan. Van de snoepkoning mocht hij de huifkar volladen met snoep. Het zou toch wel weer aangroeien. Zep keek nog even naar de plek waar hij gisteren een fabriekje had opgegeten. Het stond er weer, alsof er niets gebeurd was. Het groeide dus echt én snel.

 

Zep nam afscheid van de snoepkoning. Hij zag dat zijn ogen bijna huilden. De man zei dat hij het erg gezellig had gevonden en diep, heel diep in zijn hart, had hij gehoopt dat Zep zou blijven.

Zep klom op de huifkar en nam de teugels in zijn handen. Hij klikte met zijn tong en de paarden begonnen te lopen. De paarse berg op.

Bovenop de top zwaaide Zep nog naar de snoepkoning. Dit avontuur zo hij niet snel vergeten.

 

De paarden renden hard de berg af. Het ging keihard, maar plotseling raakte Zep uit zijn evenwicht. Met een plof viel hij neer.

 

Van schrik deed Zep zijn ogen open en zag dat hij uit zijn bed was gevallen.

 

Had hij alles gedroomd?